Voorjaar 2023
Guy Schraenen, Guestbook (1978)
In 2021 verwierven we met steun van het Dotatiefonds het werk In Octavo (1990-1991) van Guy Schraenen (1941-2018). Hij was niet alleen een invloedrijke Antwerpse galeriehouder, maar ook een toonaangevende specialist, producent en uitgever van kunstenaarsboeken. Onlangs konden we zijn Guestbook (1978) aankopen. Daardoor zijn we nu naast de Yale University Library de enige bibliotheek die dit werk in haar bezit heeft. Guestbook is net als In Octavo een zeldzaam kunstenaarsboek waar zowel Belgische als internationale kunstenaars uit de neoavant-gardebewegingen aan meewerkten. In de periode tussen 1976 en 1978 vroeg Schraenen aan kunstenaars die zijn atelier bezochten om een handafdruk achter te laten. Het resultaat is een ‘gastenboek’ met daarin 23 originele handafdrukken in verschillende kleuren en vormen, plus een lijst van de betreffende kunstenaars. Daaronder zijn namen als Eduard Bal, Ulises Carrión en Mirtha Dermisache. Guestbook verscheen in een oplage van vijftig exemplaren, waarvan er 23 waren bestemd voor de kunstenaars die meewerkten. De Erfgoedbibliotheek beschikt over het exemplaar van Eduard Bal (1927-1999), een Deurnese kunstenaar die net als Panamarenko veel werkte rond vliegtuigen.

Hugo Claus & Albert Pepermans, Steeds-Cité (1990)
Het gebeurt niet vaak dat we edities van werk van Hugo Claus (1929-2008) op het spoor komen die nog geen deel uitmaken van onze collectie. Toch duikt er af en toe nog een zeldzame uitgave op die ontbreekt, zoals de bibliofiele editie Steeds-Cité (1990) van de Brusselse galeriehouder en uitgever van kunstenaarsboeken Camille von Scholz. Het boek bestaat uit gedichten van Claus in het Nederlands en het Frans bij tekeningen van beeldend kunstenaar Albert Pepermans (1947). De Franse vertalingen zijn gemaakt door Freddy De Vree. Claus en Pepermans werkten tussen 1990 en 1995 samen aan verschillende projecten en tentoonstellingen. Steeds-Cité was hun eerste samenwerking, waarvoor ze zich lieten inspireren door de stad Parijs. Zowel de tekeningen als de gedichten in het boek zijn ontworpen als tweeluiken. Deze dubbele diptieken laten zich pas opengevouwen gezamenlijk bewonderen. Het resultaat is een bijzonder dynamisch boek, dat zich maar moeilijk laat beschrijven. Je kan het eigenlijk enkel ervaren door het te doorbladeren.
Het aangeschafte exemplaar is een van de zes auteursexemplaren die buiten de reguliere oplage van 35 exemplaren werden gedrukt. Het exemplaar is gesigneerd door beide kunstenaars en bevat naast de diptieken nog een originele tekening van Pepermans in kleur.

Robbedoes en Ons Volkske
Stripverzamelaar Eddy Kerssens schonk ons eind 2016 zijn uitgebreide collectie Aegyptica-strips. Het gaat om in totaal meer dan vierduizend exemplaren, goed voor ongeveer 85 lopende meter. Inmiddels is de volledige verzameling verwerkt en raadpleegbaar in onze leeszaal. Deze grote schenking zorgde voor een aantal mooie aanvullingen op onze bestaande stripcollectie, waaronder een aantal vroege jaargangen van bekende Vlaamse striptijdschriften. Dergelijke striptijdschriften werden lang niet gezien als erfgoed dat de moeite waard was om te verzamelen. Door de verzameling-Kerssens konden we deze lacune in onze collectie voor een deel wegwerken. Zo beschikken we nu over het eerste nummer van het striptijdschrift Robbedoes uit 1938, waarin de gelijknamige stripfiguur voor het eerst werd geïntroduceerd voor een Nederlandstalig publiek. Ook bijzonder zijn de nummers van het stripweekblad Ons Volkske (1932-1988), dat meer dan vijftig jaar verscheen als bijlage bij het weekblad Ons Volk. Willy Vandersteen werkte van 1946 tot 1974 aan dit blad mee. In de betreffende nummers duiken zijn meest populaire personages Suske, Wiske en Lambik regelmatig op, naast minder bekende korte strips van zijn hand zoals Het plezante circus.

‘Sicke’
Een wel heel bijzondere aanwinst is een reeks losse vellen met daarop korte beeldverhalen over een zekere ‘Sicke’, een klein en nogal ondeugend figuurtje dat allerlei streken uithaalt. De combinatie van opeenvolgende tekeningen voorzien van rijmende teksten doet denken aan het werk van Rodolphe Töpffer. Diens beeldverhalen uit de jaren 1830 en 1840 worden beschouwd als voorlopers van de strip. Het zou kunnen dat de Sicke-verhalen uit dezelfde periode stammen. Ook de precieze herkomst van de beeldverhalen is nog onduidelijk. De combinatie van Franstalige en Nederlandstalige teksten doet vermoeden dat ze uit Vlaanderen afkomstig zijn. Verder onderzoek zal ons binnenkort hopelijk meer informatie geven over de achtergrond van dit anonieme Vlaamse beeldverhaal.

Najaar 2023
Edward Grimeston, Generall Historie of the Netherlands (1627)
Op de veiling bij Van De Wiele Auctions in mei 2023 verwierven we de tweede herziene druk van Edward Grimestons Generall Historie of the Netherlands. Die is in 1627 in Londen gedrukt door Adam Islip. Edward Grimeston (†1640), die ceremoniemeester was bij het Engels Parlement in Londen, is vooral bekend als vertaler van verschillende belangrijke geschiedenisboeken uit zijn tijd naar het Engels. De Generall Historie of the Netherlands is een van Grimestons vroegste en grootste bewerkingen – de tweede herziene druk bevat 1.588 pagina’s folio formaat. De eerste druk van deze kloeke geschiedenis van de Nederlanden verscheen in 1608. Het is eigenlijk een vertaling van La grande chronique ancienne et moderne, de Hollande, Zelande, West-Frise van Jean François Le Petit (1546-ca. 1615). Dat werk werd in 1601 gedrukt in Dordrecht.
Voor het vervolg op La grande chronique en de contemporaine gebeurtenissen baseerde Grimeston zich op de werken van Emanuel van Meteren (1535-1612) over de Nederlandse geschiedenis. Grimeston kende Van Meteren, die sinds 1583 consul was voor de Nederlandse kooplieden in Londen, vermoedelijk vanuit zijn netwerk bij het Engelse Parlement. De tweede herziene druk van de Generall Historie bevat ook een voortzetting over de periode 1608-1627 door de verder onbekend gebleven kapelaan William Crosse. Grimeston gebruikte voor beide drukken de kopergravures met vorstenportretten van Christoffel I van Sichem (1546-1624). Die had hij gemaakt voor La grande chronique van Le Petit. Grimeston voorzag ze van nieuwe onderschriften in dichtvorm. In de opdracht van de eerste druk van zijn Generall Historie vermeldt Grimeston bovendien dat Le Petit in 1609 in Londen verbleef. Dat wijst erop dat zij de kopergravures direct met elkaar hebben uitgewisseld. Het hergebruik van houtblokken of kopergravures, die zeer kostbaar waren, was heel normaal in de zestiende en zeventiende eeuw. Houtblokken en kopergravures werden regelmatig uitgeleend of doorverkocht aan andere auteurs en boekdrukkers.

Georges Rodenbach, Bruges-la-Morte (1930)
Op dezelfde veiling bij Van De Wiele konden we onlangs een bijzondere bibliofiele editie van Brugesla-Morte op de kop tikken. Die werd uitgegeven bij het Parijse Javal & Bourdeaux in 1930 in een oplage van 170 exemplaren. Rodenbachs klassieker van de Franstalige Vlaamse letterkunde werd al snel na de eerste publicatie in 1892 toonaangevend voor het symbolisme. Dat is te zien aan deze speciale uitgave die 38 jaar later verscheen. Daaraan werkten verschillende grootheden binnen het symbolisme mee. Zo schreef de Franse auteur en criticus Camille Mauclair een voorwoord bij deze editie en maakte de Franse kunstenaar Lucien Lévy-Dhurmer achttien pasteltekeningen bij de tekst. De tekeningen werden vervolgens als aquatint gegraveerd op koper door Lorrain en in kleur gedrukt door Adolphe Valcke.
Ook het beroemde portret van Rodenbach door Lévy-Dhurmer uit 1896 is in de editie opgenomen, vergezeld van een citaat van de in 1898 overleden schrijver. Daarin spreekt hij zijn bewondering uit voor het ‘portrait délicieux’ dat Lévy-Dhurmer van hem maakte. Hij ziet er zichzelf op ‘comme en songe’, met op de achtergrond zijn ‘chère Bruges-la-Morte’. Op het portret versmelt de kleur van Rodenbachs kledij met de kleur van de Brugse grachten, zodat de auteur als het ware opgaat in zijn omgeving.
Brugge mocht Rodenbach dan wel dierbaar zijn, de Bruggelingen zelf waren bij de verschijning van de roman niet erg ingenomen met het naargeestige en doodse beeld dat de Gentse auteur van hun stad opriep. In zijn voorwoord gaat Mauclair dieper in op deze ophef, die volgens hem berustte op een misverstand. Hij presenteert Rodenbach juist als een groot bewonderaar van de stad en als een auteur die voor altijd verbonden is met Brugge door het succes van zijn roman. Ook belicht hij de artistieke verwantschap tussen de auteur en illustrator Lévy-Dhurmer. Zijn dromerige en tegelijk onheilspellende illustraties sluiten inderdaad perfect aan bij Rodenbachs melancholische verhaal. Dat gaat over een man die door de rouw om zijn overleden vrouw illusie en werkelijkheid door elkaar begint te halen, met een uiteindelijk fatale afloop. Het boek dat wij hebben kunnen aanschaffen, is een losbladig hors commerce-exemplaar, het was oorspronkelijk niet voor de handel bedoeld. Lévy-Dhurmers pasteltekeningen zijn er in vier verschillende versies opgenomen: de definitieve, meerkleurige versie, een blauwe versie, een groene versie en een meerkleurige versie met opmerkingen. Samen vormen ze niet alleen een lust voor het oog. Ze geven ook een inzicht in de complexe technieken die kunstenaars toepasten om in hun illustraties de meest verfijnde kleureffecten te bereiken.


