“Ik ben een psychopaat, een vrijwillige psychopaat”
Zo stelt de Gentse schrijver en kunstenaar Marc Lichtenberg zichzelf in 1967 voor. Het zinnetje vat zijn raadselachtige creaties perfect samen: ze zijn doordrongen van het occulte en het mystieke, en zoeken steeds de grens op van het werkelijke, het menselijke en het maatschappelijk aanvaardbare. Eind vorig jaar verwierf de Erfgoedbibliotheek één van zijn zeldzame publicaties dankzij een schenking van het Letterenhuis. Het gebrek aan informatie over de auteur, de zonderlinge inhoud en de charmerende amateuristisch gestencilde pagina’s trokken meteen de aandacht. Wat volgde was een speurtocht die leidde langs alle hoeken van de tegencultuur in het Antwerpen van de jaren 1960, een beweging die zich afzette tegen het politieke establishment en de verkrampte waarden van de westerse naoorlogse maatschappij. Kunstenaars organiseerden publieke Happenings, absolute seksuele vrijheid werd gepredikt en met psychedelische drugs als LSD werd in artistieke kringen naar hartenlust geëxperimenteerd Lichtenberg kwam in contact met tal van bekende avant-gardeschrijvers en kunstenaars; over zichzelf gaf hij echter nauwelijks iets prijs. Hieronder proberen we alsnog een schets te maken van deze intrigerende figuur, zijn geschriften en hun culturele context in de woelige jaren 1960.
Splinters en de Antwerpse avant-garde
Marc Lichtenberg verschijnt een eerste keer ten tonele in 1963, al is dat nog niet onder deze naam. Het is de pseudoniem van de Gentenaar Marco De Clercq (°1939) die in dat jaar zijn eerst novelle – Splinters – publiceert. Op de omslag zien we een surrealistische collage (van eigen makelij) opgebouwd rond een foto van de British Empire Building in New York. Op de achterflap krijgen we een schaarse biografie: “Zwerftochten door Europa en Noord-Afrika – studeerde kunstgeschiedenis – woont tijdelijk te Antwerpen.” Daaronder prijkt een portret van de auteur. Hij kijkt ons uitdagend en zelfs ietwat arrogant aan, met iets wat lijkt op een zelfvoldane grijns. De novelle barst van de poëtische, bevreemdende en seksueel expliciete taal, en ook de maatschappijkritiek is vanaf de eerste pagina merkbaar: “Straten vol kronkelende en schaterende mensen, botsende auto’s, gebuikscheurende arbeiders tussen niet meer stil te leggen machines […] en boven alles: god de vader zwevend in zijn zeepbel die er lustig op los masturbeert. Ik laat een laatste wind en lach mij daarna dood.”
Laten we een blik werpen op het netwerk waarmee deze beginnende schrijver zich weet te omringen. De foto op de achterflap werd genomen door John Huybreghts, een fotograaf die nauw betrokken was bij de eerste Antwerpse Happenings van de jaren zestig. Deze Happenings waren publieke manifestaties van kunstenaars in de openbare ruimte, een soort performance art die was overgewaaid vanuit Amsterdam en het perfecte middel om de maatschappelijke orde uit te dagen. Huybreghts was een graag geziene gast in de kunstenaarscafés van de binnenstad: de Muze, de Kat, het Pannenhuis... Allemaal op een steenworp van de Erfgoedbibliotheek! Het is goed mogelijk dat De Clercq, die toen “tijdelijk te Antwerpen” woonde, in deze cafés de kiemen legde van zijn artistieke kring.
De uitgeverij die het boekje verzorgt, de Paradox Pers, is het project van de Antwerpse dichter Dirk Claus. Claus en zijn uitgeverij – “een karikatuur van een uitgeverij” – publiceerden vernieuwende poëzie en proza, vooral door middel van de tijdschriften Nul en Mep. Nul zocht voornamelijk aansluiting bij de internationale literaire avant-garde; Mep en zijn opvolger Totems waren eerder Vlaams van opzet. Met spilfiguren als criticus Julien Weverbergh en schrijvers/onruststokers Herman J. Claeys en Jan Emiel Daele was Mep verre van onomstreden en lokte bijvoorbeeld een publieke vete met de toenmalige BRT uit. Via Dirk Claus kon De Clercq meteen in aanraking komen met een hele schare aan radicale vernieuwers en schenenschoppers, een milieu dat later erg vruchtbaar zou blijken voor de jonge twintiger.
Het is daarom opvallend dat er van De Clercq geen enkel spoor te vinden is in de progressieve literaire tijdschriften van toen. Deze bladen waren niet zelden éénmansoperaties, werden op goedkoop papier gestencild en kenden vaak een korte levensduur. Toch waren ze ook bijzonder belangrijk voor het verspreiden van vernieuwende poëzie en literatuur. Misschien moet een verklaring bij De Clercq zelf worden gezocht: er is een brief bekend (bewaard in het Letterenhuis) waarin de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (NVT) aan De Clercq meedeelt dat het zijn ingezonden werk niet zal publiceren. Mogelijks gaat het hier om (een vroege versie van) Splinters. Dat De Clercq het eerst probeert bij een traditioneel tijdschrift als het NVT zegt veel over zijn ambities, maar ook over zijn dubbelzinnige houding tegenover de Antwerpse Zestigers. Het blijft onduidelijk of deze groep experimentele dichters en kunstenaars hem ooit echt volledig zou omarmen, en of dat überhaupt zijn bedoeling is.



Het Wonderjaar 1967: Daele en Reportage
1967 is een cruciaal jaar voor Lichtenberg. Het is het jaar dat zijn roman De Nieuwe Heilige het licht ziet én waarin hij exposeert op de tentoonstelling Reportage, samen met kunstenaars als Roland van den Berghe (°1943), Marcel Broodthaers (1924-1976), Dees De Bruyne (1940-1998) en Panamarenko (1940-2019). Het is ook de eerste keer dat hij het pseudoniem ‘Lichtenberg’ gebruikt, iets wat hij vanaf nu consequent zal doen. Zijn deelname aan de tentoonstelling is een opvallende sprong voor Lichtenberg aangezien hij zich op deze manier sterk met de Belgische avant-gardes verbindt. Tegelijkertijd zet hij zich expliciet af tegen het ‘kunstenaarschap’. Gebruikte Lichtenberg deze kringen om zijn eigen boodschap een breder publiek te geven, of voelde hij zich werkelijk aangetrokken tot de Gentse en Antwerpse scène?
De Nieuwe Heilige is een sleutelwerk. Het is eigenlijk nauwelijks een roman te noemen, eerder een esoterisch traktaat over Lichtenbergs godsbegrip en zijn totale vervreemding van de naoorlogse maatschappij. Hij schrijft op pagina 6: “Dit boekje is de biografie van God of van mij, het verhaal van alle scheppingen – verleden en toekomende – en terzelfdertijd de ongeremde uitwerpselen van een paranoia, tussen twee veel te lange toevallen van ‘normaal’ zijn in.” Die maatschappelijke afkeer zagen we al eerder in Splinters; het spirituele aspect is dan weer nieuw. De Nieuwe Heilige is het overduidelijke resultaat van de vele zwerftochten door het Midden-Oosten, India, Afghanistan en Pakistan die hij tussen 1963 en 1966 onderneemt. In 1980 publiceert de Paradox Pers een (postuum?) reisverslag van deze rondtochten, waaruit nogmaals blijkt hoe allesbepalend deze ervaringen waren voor de zoekende Lichtenberg.
Ook hier loont het om naar de context van de tekst te kijken. De Nieuwe Heilige werd gepubliceerd als nummer 8 van het eenmanstijdschrift daele, genoemd naar zijn eerder vermelde bezieler Jan Emiel Daele. Daele had naar eigen zeggen, “behoefte aan een literair tijdschrift dat alleen aan mezelf gebonden is, zoals ik aan mezelf gebonden ben.” Daele was een voortzetting van de progressieve zwarte tak van het jongerentijdschrift Yang, dat Daele in 1963 samen met medestudenten van de Rijksnormaalschool in Gent had opgericht. Daele was van de meet af aan provocerend, en als gevolg van de publicatie van het gedicht ‘De Penisgroet’ van Herman J. Claeys werd de redactie getrakteerd op een huiszoeking van de zedenpolitie. Het occultisme van De Nieuwe Heilige wekte kennelijk enige aversie op bij Daele, wat blijkt uit zijn dubbelzinnige maar veelzeggend voorwoord: “In verband met mijn distantiëring van […] ‘De nieuwe heilige’, zal men zich terecht afvragen waar om ik dit werk publiceer. Omdat ik het echt nodig vind dat dit boek gelezen wordt. En waarom vind ik het echt nodig?” Met de publicatie in daele kwam Lichtenberg onder de vleugels van één van de meest invloedrijke maar controversiële stemmen van progressief literair Vlaanderen.
Ook de tentoonstelling Reportage is bijzonder voor Lichtenberg. Hij schrijft namelijk een bevreemdend voorwoord dat op het eerste zicht volledig los lijkt te staan van de rest van de tentoonstelling. Opvallend, want in de catalogus is één werk te vinden dat Lichtenberg samen met Roland Van den Berghe en Dees De Bruyne heeft gemaakt. Van den Berghe was in de jaren 1960 deel van de Happening-beweging (samen met Marcel Broodthaers); De Bruyne was dan weer bewust provocatief met zijn pornografische schilderijen en fotokunst. Toeval of niet: nummer 7 van daele is gewijd aan het werk van De Bruyne. Het is dus mogelijk dat De Bruyne en Lichtenberg elkaar via Daele hebben leren kennen. Ondanks deze (eenmalige?) samenwerking lijkt Lichtenberg toch een eenzaat te blijven in de kringen waarin hij vertoeft. Inhoudelijke aansluiting vindt hij niet, zijn teksten hebben een afstotende uitwerking op zijn uitgever en zijn interesses liggen ver buiten het bekrompen Vlaanderen. De vraag dringt zich dan op: waarom blijven?

De late jaren zestig: LSD, Mahakala en spirituele zelfdoding
Na 1967 lijkt Lichtenberg zich inderdaad volop te wijden aan zijn spirituele zoektocht. Toch blijft hij ook schrijven. In 1968 publiceert de Paradox Pers De andere dood: aantekeningen over zelfvernietiging & mystieke ervaring. Het is een kopie van een handschrift over de ondertussen welbekende onderwerpen God, de dood en Hindoeïstische leer. Interessant is dat de tekst geïllustreerd wordt door grafiek van de pas overleden Johan Rahm. Lichtenberg zou in Rahm waarschijnlijk een gelijkgezind figuur hebben gezien: getormenteerd, geobsedeerd met spiritualiteit én experimenterend met LSD en andere middelen. Rahm zou vroegtijdig een einde maken aan zijn leven in oktober 1967, hoewel hij bijzonder gewaardeerd werd onder de Antwerpse Zestigers. Ook al lijkt zijn houding eerder afkerig, toch staat Lichtenberg nog steeds in contact met de Antwerpse literaire kringen. Hun tijdperk loopt echter stilaan ten einde.
Na 1968 zijn er nog enkele andere sporen te vinden. Ten eerste is er het ongedateerde gestencilde boekje The Path of Supreme Equilibrium, dat samen met The Book of the Law van de bekende Britse esotericus Aleister Crowley als één publicatie werd uitgegeven. Het boekje werd ‘gedrukt’ door de Mahakala Free Press, waarschijnlijk een project van Lichtenberg zelf. Mahakala is een Hindoeïstische godheid, gekend om zijn allesvernietigende kracht en geassocieerd met de eindtijd. Lichtenbergs tekst bevat vooral spirituele aanwijzingen die sterk aanleunen bij de Yoga-leer. Daarnaast bewaart de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam Het Oneindig Paradijs, eveneens een ongedateerd en gestencild boekje. De tekst bevat veel overeenkomsten met De Nieuwe Heilige, maar is geen roman en eerder een opsomming van filosofische stellingen. Mogelijks diende deze tekst als basis voor De Nieuwe Heilige. Ten slotte is er een brief uit 1969 bekend waaruit blijkt dat Lichtenberg het onbekende werk De Ziener had ingestuurd voor publicatie bij de Amsterdamse uitgeverij Thomas Rap. De Ziener zou nooit het licht zien, want de uitgeverij weigert het manuscript. Met deze weigering lijkt Lichtenbergs meest productieve periode achter de rug. Na 1969 lijkt het doek te vallen over de mysterieuze figuur van Marc Lichtenberg.



Epiloog
Lichtenberg lijkt op het eerste gezicht een typisch product te zijn van de woelige jaren 1960, als lid van een generatie die zich afzette tegen gevestigde machtsstructuren en de traditionele vormen van kunst en literatuur. Toch is hij ook een Einzelgänger: zijn obsessieve fascinatie voor oosterse mystiek, esoterie en theologie zorgt ervoor dat hij geen duurzame aansluiting kan (of wil?) vinden met zijn mede-Zestigers. Lichtenbergs netwerk is gevuld met een aantal opvallende figuren die ieder op hun beurt worstelen met de Westerse naoorlogse samenleving en de beklemmende artistieke status-quo. De één doet dit al radicaler dan de ander. Het is niet makkelijk om over de figuur van Lichtenberg een gevat oordeel te vellen. Geniaal? Krankzinnig? Vooruitstrevend? Out of touch? Dat laat ik aan u, beste lezer.
Relevante catalogusnummers
Uit onze collectie
- C 201438:22 (Splinters, 1963, met auteursportret)
- C 219649:8 (De Nieuwe Heilige, 1967, in tijdschrift daele nr. 8)
- 561366(Ziarat: a record of travels in Islamic countries, 1980)
- 733229 (Reportage tentoonstellingscatalogus, 1967)
- C 227417(De Andere Dood, 1968, met grafiek van Johan Rahm)
- 915039 (Book of the law, ca. 1970, schenking Letterenhuis)
Uit andere collecties
- Letterenhuis - T 48399 / B (1962) (Archief van Willy Vaerewijck, brief van Vaerewijck aan Marco De Clercq, 9/3/1962)
- Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum Den Haag - 25 RAP Correspondentie Lichtenberg(Archief van Uitgeverij Thomas Rap, brief van J.W. Groot namens Uitgeverij Thomas Rap aan M. Lichtenberg, 5/12/1969)
- Universiteitsbibliotheek Amsterdam - HG 91-176 (Het Oneindig Paradijs, ca. 1967)
Casper Van Waesberghe
15/07/2026